België heb ik al heel wat keren doorkruist. Van ‘The Bulge’, om een term te noemen die ruim zestig jaar geleden actueel was en nu nog te weinig mensen zal aanspreken, via de centrale as met o.a. Antwerpen, Brussel en Charleroi, tot het pure laagland in de meer westelijke delen.
Een vrij scherpe grens scheidt Nederland van België. Dan doel ik vooral op de wegen die al meteen bij het verlaten van één van de drie zuidelijke provincies relatief veel overdwarse uithollingen vertonen, de ongepland aanwezige bovengrondse stroomlijnen en niet in het minst de vele, bijna eenzame en voor het gevoel dichtgetimmerde huizen die bij mij vaker lege blikken hebben veroorzaakt.
Het valt ook op wanneer je flarden van een Vlaamse of Waalse wielerwedstrijd op televisie bekijkt. Amper volk te bekennen. Grotere aantallen zouden zeker niet misstaan ter aanmoediging van soms tegen de wind opbeukende bestuurders van doortrapte tweewielers.
Tegen het minder geplande in het land waar Henk Westbroek nog lang aan twijfelde heb ik niets. Integendeel zelfs. Bij ons is elke weelderige stoeptegel in kadastrale-, bestemmings- en weet-ik-in-hoeveel-nog-meer-plannen tot in het grootste google-detail vastgelegd. Vaak kunnen we hier een voorbeeld nemen aan het land van Hergé, Ruyslinck, Brel en Piet Piraat.
Maar die huizen, als ware ze wees, ogen als Remi. Minder vitaal ook. Hector Malot, de man die op 17 juli aanstaande precies een eeuw in ‘die andere ruimte’ verblijft, zou, weliswaar als Fransman, misschien wel een pasklaar antwoord hebben. Wie weet hebben een groot aantal Nederlanders ook wel een verklaring, besef ik nu. Sterker: ze kunnen best eens direct betrokken zijn bij deze problematiek. Ik meen immers een flinke hoeveelheid landgenoten (?) te kennen die ‘deze andere ruimtes’ op papier mogelijk misbruiken door de tijd fiscaal gunstig uit te zitten. In Achel zou men als voorbeeld een voetbaltrainer uit ‘Olland’ recent nog tegen het gezette lijf hebben kunnen lopen. Zij het onzichtbaar.